De Rhodesian Ridgeback is een hondenras met een rijke geschiedenis die teruggaat tot het zuidelijk deel van Afrika. Het ras dankt zijn naam aan de voormalige Britse kolonie Rhodesië (het huidige Zimbabwe) en aan zijn meest opvallende kenmerk: de ridge, een smalle strook haar op de rug die in tegenovergestelde richting groeit ten opzichte van de rest van de vacht. De oorsprong van deze ridge ligt bij de honden van de Khoikhoi, een inheems volk in Zuidelijk Afrika. Deze honden stonden bekend om hun moed, uithoudingsvermogen en hun vermogen om zich te verdedigen tegen roofdieren.
Vanaf de 17e eeuw kruisten Europese kolonisten deze lokale honden met verschillende geïmporteerde rassen, waaronder Greyhounds, Mastiffs, Duitse Doggen en Bloodhounds. Het doel was een veelzijdige werkhond te ontwikkelen die kon jagen, waken en overleven in de zware omstandigheden van het Afrikaanse binnenland.
Een cruciale rol in de ontwikkeling van het ras werd gespeeld door Cornelis Johannes van Rooyen (1859-1915), een jager en pionier in het gebied dat nu Zimbabwe is. Van Rooyen wordt vaak beschouwd als de grondlegger van de moderne Rhodesian Ridgeback. Rond 1879 kreeg hij de beschikking over twee geribde honden die door missionaris Charles Helm uit Zuid-Afrika waren meegebracht. Hoewel hij onder de indruk was van hun moed tegenover leeuwen, vond hij dat ze meer snelheid, uithoudingsvermogen en jachtinstinct nodig hadden. Daarom begon hij deze honden te kruisen met verschillende Europese rassen.
Gedurende ongeveer 35 jaar fokte Van Rooyen doelgericht op werkvermogen. Zijn honden moesten niet alleen uitstekende jagers zijn, maar ook betrouwbare waakhonden en trouwe metgezellen. Zijn selectie was eenvoudig maar streng: een goede hond was een hond die zijn werk kon doen en de zware omstandigheden wist te overleven. Door deze aanpak ontstond een sterk, atletisch en intelligent hondentype dat bekend werd als"Van Rooyen's Lion Dogs".

Deze honden werden vooral ingezet bij de jacht op groot wild, waaronder leeuwen. Ondanks hun bijnaam"African Lion Hound" of"Lion Dog" waren ze niet bedoeld om leeuwen te doden. Hun taak bestond uit het opsporen, volgen en op veilige afstand bezighouden van de leeuw totdat de jager kon ingrijpen. Hiervoor waren moed, snelheid, intelligentie en een groot zelfstandig denkvermogen noodzakelijk. Deze eigenschappen zijn vandaag nog steeds kenmerkend voor de Rhodesian Ridgeback.
Hoewel Van Rooyen de basis van het ras vormde, werd de Rhodesian Ridgeback pas officieel erkend nadat F.R. Barnes in 1922 in Bulawayo een rasstandaard opstelde. Deze standaard werd in 1927 goedgekeurd door de South African Kennel Union. Het ras verspreidde zich vervolgens vanuit Zuidelijk Afrika naar de rest van de wereld.
Tegenwoordig wordt de Rhodesian Ridgeback voornamelijk gehouden als gezins-, sport- en gezelschapshond. Toch draagt hij nog altijd de kenmerken die Van Rooyen destijds zo belangrijk vond: kracht, uithoudingsvermogen, loyaliteit, onafhankelijkheid en een natuurlijk beschermingsinstinct. Daardoor blijft de Rhodesian Ridgeback een levend stuk Afrikaanse geschiedenis, gevormd door de honden van de Khoikhoi en verder ontwikkeld door het visionaire fokwerk van Cornelis van Rooyen.
